Image Alt

Kattengedragsobservatie

 / Kattengedragsobservatie

Kattengedragsproblemen kun alleen goed oplossen als je weet wat er precies aan de hand is. En in welke mate. Het lastige hieraan is dat we de kat niet kunnen vragen wat er mis is en waarom hij bijvoorbeeld in huis plast. Toch zijn er verschillende manieren waarop een kat laat zien hoe hij zich voelt.

Zo kan een kat op lage toon en diep miauwen als hij niet goed in zijn vel zit. Of juist op een hoge toon als teken van blijdschap.

Lichaamstaal is de taal die katten spreken met hun lichaam. Aan lichaamstaal kun je vaak zien wat katten voelen of denken, zonder dat ze het zeggen. Een kat die bang is, zal zijn staart tussen zijn poten houden. Terwijl een kat die blij is om je te zien juist een hoge staart heeft.

Achter elk gedrag zit ook een bepaalde intentie, een bedoeling. Als kattengedragstherapeut probeer ik de beweegredenen van het vertoonde gedrag zo goed mogelijk te achterhalen. 

Daarnaast is elke kat weer net even anders omdat hij andere ervaringen heeft gehad. Vroege levenservaringen hebben invloed op hoe de kat zich heeft ontwikkeld. Daarom wordt er ook bekeken hoe de kat als kitten is opgegroeid.

De leefomgeving bepaalt ook voor een groot gedeelte wie de kat is. Dan moet je denken aan zijn baasjes en de andere dieren in huis. Maar ook de favoriete ruimte van je kat, waar hij het meeste tijd doorbrengt. Op het moment dat één van deze aspecten verandert of anders dan ‘normaal’ is, zul je zien dat je kat zijn gedrag mee verandert. Elke kat heeft een beste omgeving waarin hij het beste functioneert en zijn leukste leven kan hebben.

Omdat de leefomgeving bepaalt wat voor ervaringen de kat nu heeft en ook , wordt ook daarnaar gekeken. Ook vanuit het oogpunt op mogelijkheden voor behandeling. 

Diagnostiek bij kattengedragsproblemen

Zonder een juiste diagnose is het niet mogelijk om een gedragsprobleem te behandelen met kattengedragstherapie. Omdat een diagnose duidelijkheid geeft over welk probleem er speelt.

Een diagnose is een beschrijving van de kenmerken van de kat, de symptomen en onderdelen van het probleemgedrag, onderscheidingscriteria, hoe deze samenhangen en de mogelijke oorzaak. 

Om een diagnose te kunnen stellen wordt er zoveel mogelijk relevante informatie verzameld. Dat doen we allereerst door vragen te stellen. Aan de hand van deze informatie, ontstaat er vaak een lijstje aan mogelijkheden. De kattengedragstherapeut zal proberen om de onderdelen van dit lijstje te bevestigen of uit te sluiten (te toetsen) door meer informatie te verzamelen en een gedragsobservatie te doen.

Relevante informatie kan zijn:

  • De reden of aanleiding voor het contact  — Wat voor problemen ervaar je zelf als baasje met je kat en wat zijn je verwachtingen van de behandeling?
  • De symptomen en ernst van het gedragsprobleem  — Zichtbare, hoorbare verschijnselen zoals bijvoorbeeld het trappelen met de achterpoten en trillen van de staart (waaraan te herkennen is dat het gaat om sproeigedrag en niet plassen)
  • De voorgeschiedenis van de kat  — Hoe is de kat opgegroeid als kitten? Is de kat bijvoorbeeld vroeggescheiden en daarom stressgevoeliger? Heeft hij bepaalde vroege ervaringen gehad die het huidige gedrag hebben gevormd? 
  • De ontstaanswijze van het gedrag — wanneer is het gedrag begonnen? Doet de kat dit al vanaf kitten of is de kat hiermee begonnen na een bepaalde gebeurtenis? Wordt het probleem steeds erger mettertijd of blijft het gelijk?
  • De motivatie van het gedrag — Je kat doet nooit iets zomaar. Hij doet iets omdat het hem een voordeel oplevert. Dat kan aandacht zijn, maar bijvoorbeeld ook aan iets vervelends kunnen ontsnappen. Wil je gedrag veranderen, dan is het belangrijk om te weten wat je kat heeft aan het oude, ongewenste gedrag. Gedrag verandert pas op het moment dat het nieuwe gewenste gedrag meer oplevert dan het oude ongewenste gedrag.
  • Relevante omstandigheden van de kat  — zijn er bepaalde dingen aan de hand of veranderd in het leven van de kat? Heeft de kat een traumatische gebeurtenis meegemaakt? Of zijn er zijn er stressfactoren die het gedrag uitlokken? 
  • Waarnemingen op basis van de gedragsobservatie  — Om welk soort (probleem) gedrag gaat het? Op welke plekken gebeurt dit? Hoe vaak doet de kat dit. En zijn er bepaalde dingen die het gedrag uitlokken of juist verminderen?
  • De reactie van de kat op bepaalde gedragstesten  — In welke mate reageert de kat op geluid? Raakt hij snel overprikkeld? Hoe reageert hij op vreemde voorwerpen en onbekende mensen?
  • Lichamelijke klachten en medicijngebruik  — Zijn er lichamelijke klachten aanwezig (geweest) die misschien meespelen in het gedrag van de kat? Ook medicatiegebruik kan het gedrag van de kat beïnvloedden alsmede wat er mogelijk is qua behandeling.

Van de informatie moet één geheel worden gemaakt. De verzamelde informatie en observatie worden in een theoretisch kader geplaatst, om zo een verklaring te kunnen geven over het ontstaan en de oorzaak van de problemen.

Na het stellen van de diagnose is in de meeste gevallen mogelijk om de oorzaak van het probleemgedrag vast te stellen en kan er een gedragsbehandeling worden opgesteld.

Een gedragsobservatie van je kat is nodig wanneer je er zelf niet in slaagt om erachter te komen waarom je kat nu precies doet wat hij doet. En wanneer de kat zelf, zijn omgeving of zijn baasje(s) last of schade ondervinden van het kattengedrag.

Wanneer een kat niet lekker in zijn vel zit, en zich ongewenst of vreemd gedraagt dan is daar een reden voor. Er zullen bepaalde dingen zijn die de kat aanzet om zich op een bepaalde manier te gedragen. En om een gedragsprobleem op te lossen is het allerbelangrijkste om erachter te komen wat het gedrag veroorzaakt. En wat ervoor zorgt dat de kat zich ook zo blijft gedragen.

Pas als dit bekend is kan je naar een goede, blijvende oplossing zoeken. Wanneer je de kattengedragstherapeut van Lekker in je Vacht inschakelt voor hulp, voert deze een gedragsobservatie aan huis uit.

Tijdens een gedragsobservatie (van 2 uur) wordt er zowel naar het normale gedrag van de kat, als naar het probleemgedrag gekeken. Tijdens de observatie worden er feiten verzameld door heel goed te kijken naar de kat zijn gedrag, lichaamstaal en houding. En worden er enkele gedragstesten uitgevoerd. Tijdens een gedragsobservatie wordt er goed doorgevraagd en naar het volgende gekeken:

  • Hoe is het gedragsprobleem van de kat ontstaan? (ontstaansmechanisme)
  • Welk gedrag vertoont de kat precies?
  • Op welke momenten vertoont de kat het gedrag (waar, hoe vaak, wanneer)
  • Op welke plekken vertoont de kat het probleemgedrag
  • In welke situaties vertoont de kat het probleemgedrag
  • Wie of wat beïnvloedt de kat zijn gedrag?
  • Wat speelt zich binnenin de kat af (lichaamstaal)?

Bij welke gedragsproblemen is een gedragsobservatie van de kat nodig?

Onze ervaring is dat kattenbaasjes het lastig vinden om te bepalen welke problemen vanzelf overgaan en bij welke problemen er hulp nodig is. Het grote verschil zit hem eigenlijk in de ernst van het probleem en hoelang dit al duurt. Er kan namelijk altijd iets gebeuren waardoor een kat tijdelijk even uit zijn doen is. Bijvoorbeeld wanneer een kat erg geschrokken is. Meestal gaan deze problemen binnen enkele dagen weg. Een kat die lekker in zijn vel zit kan prima terugveren van een tijdelijke, vervelende situatie. 

Heeft je kat langer dan 2 weken last van een probleem? Is er niets wat goed helpt om het probleem langzaam te verminderen? Dan is er waarschijnlijk meer aan de hand en is het raadzaam om dit eens te bespreken met de kattengedragstherapeut. 

Bijvoorbeeld wanneer je kat al langer dan 2 weken last heeft van de volgende gedragsproblemen:

  • Plassen/poepen in huis
  • Agressie
  • Ruzie tussen katten
  • Depressie
  • Verlatingsangst
  • Pica (sabbelen/zuigen/likken of opeten van oneetbaar materiaal)
  • Angst
  • Voedselobsessie

Een gedragsobservatie van je kat is nodig om te achterhalen wat er achter het probleemgedrag zit

Er is sprake van een gedragsprobleem bij de kat, wanneer het gedrag vaak en gedurende langere tijd voorkomt en nadelige gevolgen heeft voor zichzelf of zijn omgeving. Als richtlijn kun je er vanuit gaan dat als de kat het wekelijks of vaker doet, er sprake is van een gedragsprobleem waarbij je hulp nodig hebt. Bijvoorbeeld wanneer een kat al wekenlang in huis plast en er dus echt geen sprake is van een eenmalig ongelukje.

Gedragsproblemen leiden vaak tot grote frustratie bij kattenbaasjes. Echter, gaan gedragsproblemen ook meestal hand-in-hand met vervelende gevoelens (stress/angst) bij de kat zelf. Meestal is er niet één oorzaak voor een gedragsprobleem aan te wijzen, maar gaat het om een samenspel van verschillende factoren. Elke kat met een gedragsprobleem heeft een eigen recept aan factoren die hem motiveren om zich op een bepaalde manier te gedragen.

Het is daarom niet altijd makkelijk te achterhalen waar je kat mee rondloopt, als hij ongewenst gedrag vertoont. Het is wel goed en ook belangrijk dat je inziet dát er iets achter dit gedrag zit, wat ervoor zorgt dat hij niet lekker in zijn vel zit. Het komt ergens vandaan. Emotionele problemen vormen vrijwel altijd de basis voor het gedrag dat door baasjes als hinderlijk of zelfs bedreigend wordt ervaren. Erkenning voor die onderliggende emoties is van enorm belang voor het helpen van katten die gedragsproblemen laten zien.

Zeker als een kat ineens – of steeds vaker – ander gedrag (teruggetrokken of juist meer aanwezig) laat zien, is het goed om uit te zoeken wat erachter kan zitten. Dat lukt misschien alleen en anders kun je samen met een kattengedragstherapeut op onderzoek uit.

Tijdens de gedragsobservatie worden risicofactoren en beschermende factoren in kaart gebracht

Elke kat is anders omdat elke kat in een andere leefomgeving opgroeit met zijn eigen positieve en negatieve ervaringen en in aanraking komt met andere mensen en dieren. Daarnaast speelt de aard en aanleg van de kat een rol. Op elk moment in het leven van de kat, wordt een unieke combinatie van emoties, ervaringen, gevoelens, vaardigheden en karaktereigenschappen gevormd. Als gevolg hiervan reageert iedere kat anders op een bepaalde situatie. Waar de ene kat visite als erg prettig kan ervaren en vriendelijk reageert naar bezoek, kan een andere kat in dezelfde situatie erg angstig worden en het bezoek aanvallen. Dit wordt bepaalt door de beschermende- en risicofactoren van je kat.

Beschermende en ondermijnende factoren voor welbevinden van je kat

De aard van bovengenoemde factoren bepaalt of ze het welbevinden van de kat ondermijnen of beschermen. Wanneer factoren het welbevinden van de kat ondermijnen noemen we dit risicofactoren.  Als verschillende risicofactoren gelijktijdig of achtereenvolgens optreden, kunnen ze elkaar versterken, waardoor de kans op problemen groter wordt. In het geval ze het welbevinden juist beschermen, noemen we het beschermingsfactoren. Er ontstaan gedragsproblemen wanneer de beschermingsfactoren onvoldoende tegenwicht kunnen geven aan de risicofactoren.

De eerste stap is om in kaart te brengen welke huidige factoren het ongewenste gedrag in stand houden, verergeren of verbeteren. Zowel de beschermende- als de risicofactoren worden daarom in kaart gebracht tijdens een gedragsobservatie.

Risicofactoren waarvan bekend is dat ze de kans op het ontwikkelen van een gedragsprobleem verhogen zijn:
  • Te vroeg uit het nest (voor 12 weken)
  • Op straat of in een asiel/opvang opgegroeid
  • Afkomstig van een gestreste moederpoes
  • Trauma of ernstige ziekte
  • Stressgevoelig ras
  • Verandering van gezinssamenstelling (overlijden, geboorte, nieuwe partner)
  • Komst of verlies van andere kat(ten)
  • Veranderingen in of van de leefomgeving (verhuizing, verbouwing, uit logeren gaan)
  • Veranderingen in de routine van de kat (spelen, eten, aandacht)
  • Ontoereikende leefomgeving voor natuurlijk gedrag
Beschermingsfactoren die de kans op het ontwikkelen van gedragsproblemen tegengaan:
  • Als kitten minimaal 12-13 weken opgegroeid in een geschikte leefomgeving in het bijzijn van moeder en nestgenootjes
  • Afkomstig van een rustige, ontspannen moederpoes
  • Een stimulerende, uitdagende leefomgeving die natuurlijk gedrag mogelijk maakt
  • Voorspelbare en controleerbare leefomgeving
  • Mogelijkheden om prettig sociaal contact te hebben met soortgenoten

Tijdens de gedragsobservatie wordt bepaalt om welk type gedragsprobleem het precies gaat

Van sommige gedragsproblemen bestaan verschillende vormen. Wanneer een kat bijvoorbeeld in huis plast, maken we onderscheid tussen sproeien en plassen. De functie van sproeien en plassen is voor de kat heel anders en daarmee kennen ze beide ook andere oorzaken en oplossingen. In het geval van een gedragsprobleem dat verschillende vormen kan aannemen zal er tijdens de gedragsobservatie van de kat altijd worden bepaald van welke vorm precies sprake is.

Er wordt tijdens de gedragsobservatie gekeken op welk moment de kat het gedrag laat zien

Gedrag is context afhankelijk. Dat betekent dat gedrag betekenis krijgt door de plek, het moment en in welke situatie de kat het laat zien. Wanneer de deurbel gaat kan dat voor de ene kat een aankondiging zijn dat opa en oma langskomen die altijd wat lekkers voor de kat meenemen. Bij deze kat zal het horen van de deurbel fijne gevoelens oproepen.

Voor een andere kat kan de deurbel betekenen dat de dierenarts hem komt onderzoeken. Wanneer de kat heeft geleerd dat de dierenarts  vervelende dingen doet, kan hij de deurbel koppelen aan iets vervelends. Deze kat zal zich misschien angstig voelen wanneer de deurbel gaat.

In het eerste geval zal de kat blij en enthousiast reageren op de deurbel, in het tweede geval kan de kat bang reageren op dezelfde deurbel. Tijdens een gedragsobservatie wordt de context waarin het gedrag plaatsvindt dan ook bestudeerd.

Er wordt geobserveerd wie of wat de kat zijn gedrag beïnvloedt

Het gedrag van de kat wordt beïnvloedt door hoe jij als kattenbaasje met hem omgaat. Jij bepaalt bijvoorbeeld wat en wanneer de kat eet. Sommige mensen straffen de kat wanneer hij iets doet wat niet mag, ook daar reageren katten op. Kleine kinderen gaan weer anders om met katten dan volwassenen. En ook andere katten en dieren in de leefomgeving van de kat beïnvloeden hoe de kat zich gedraagt. Daarom kijken we tijdenseen  gedragsobservatie ook naar alle belangrijke individuen in de directe leefomgeving van de kat.

Er wordt gekeken naar hoe de kat zich voelt 

Wanneer je kat een probleem heeft, zou je je eigenlijk moeten afvragen: ‘wat zegt het gedrag aan de buitenkant over hoe mijn kat zich voelt van binnen’. Wat je kat binnenin voelt zijn emoties en behoeftes. Hoe meer je als kattenbaasje op die emoties en behoeftes kan aansluiten, hoe beter de kat in zijn vel zit. Nu is het niet altijd makkelijk of duidelijk uit het gedrag van je kat af te leiden hoe hij zich voelt en wat hij dus nodig heeft. Katten geven namelijk geen duidelijk herkenbare signalen af waaruit je kunt afleiden hoe hij zich voelt. Hiervoor moet je de kat zijn lichaamstaal en houding goed kunnen lezen. En dit vervolgens weer koppelen aan de context (dus wat de kat doet op een bepaalde plek/moment/of in een bepaalde situatie).

De kattengedragstherapeut van Lekker in je Vacht is getraind in het herkennen van angst/stress signalen en het begrijpen van lichaamstaal en houding wat inzicht kan bieden in hoe de kat zich voelt. Hierdoor kunnen wij dit precies voor je in kaart brengen:

  • Waar (op welke plek) de kat zich angstig/gestrest voelt
  • Of in welke situatie de kat zich angstig/gestrest voelt
  • En ook wanneer de kat zich niet fijn voelt

Vragen of hulp?

Wanneer je een gedragsprobleem herkent in je kat en je wil je eigen situatie voorleggen, dan kun je altijd contact opnemen. We hebben voor alle soort vragen – van simpel tot ingewikkeld – de juiste vorm van hulp.

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Een gedragsobservatie van je kat is nodig wanneer je er zelf niet in slaagt om erachter te komen waarom je kat nu precies doet wat hij doet. Wanneer een kat niet lekker in zijn vel zit, en zich ongewenst of vreemd gedraagt dan is daar een reden voor. Er zullen bepaalde dingen zijn die de kat aanzet om zich op een bepaalde manier te gedragen. En om een gedragsprobleem op te lossen is het allerbelangrijkste om erachter te komen wat het gedrag veroorzaakt. En wat ervoor zorgt dat de kat zich ook zo blijft gedragen.

Pas als dit bekend is kan je naar een goede, blijvende oplossing zoeken. Wanneer je de kattengedragstherapeut van Lekker in je Vacht inschakelt voor hulp, voert deze een gedragsobservatie aan huis uit.

Tijdens een gedragsobservatie (van 2 uur) wordt er zowel naar het normale gedrag van de kat, als naar het probleemgedrag gekeken. Tijdens de observatie worden er feiten verzameld door heel goed te kijken naar de kat zijn gedrag, lichaamstaal en houding. En worden er enkele gedragstesten uitgevoerd. Tijdens een gedragsobservatie wordt er goed doorgevraagd en naar het volgende gekeken:

  • Hoe is het gedragsprobleem van de kat ontstaan? (ontstaansmechanisme)
  • Welk gedrag vertoont de kat precies?
  • Op welke momenten vertoont de kat het gedrag (waar, hoe vaak, wanneer)
  • Op welke plekken vertoont de kat het probleemgedrag
  • In welke situaties vertoont de kat het probleemgedrag
  • Wie of wat beïnvloedt de kat zijn gedrag?
  • Wat speelt zich binnenin de kat af?

Bij welke gedragsproblemen is een gedragsobservatie van de kat nodig?

Onze ervaring is dat kattenbaasjes het lastig vinden om te bepalen welke problemen vanzelf overgaan en bij welke problemen er hulp nodig is. Het grote verschil zit hem eigenlijk in de ernst van het probleem en hoelang dit al duurt. Er kan namelijk altijd iets gebeuren waardoor een kat tijdelijk even uit zijn doen is. Bijvoorbeeld wanneer een kat erg geschrokken is. Meestal gaan deze problemen binnen enkele dagen weg. Een kat die lekker in zijn vel zit kan prima terugveren van een tijdelijke, vervelende situatie. 

Heeft je kat langer dan 2 weken last van een probleem? Is er niets wat goed helpt om het probleem langzaam te verminderen? Dan is er waarschijnlijk meer aan de hand en is het raadzaam om dit eens te bespreken met de kattengedragstherapeut. 

Bijvoorbeeld wanneer je kat al langer dan 2 weken last heeft van de volgende gedragsproblemen:

  • Plassen/poepen in huis
  • Agressie
  • Ruzie tussen katten
  • Depressie
  • Verlatingsangst
  • Pica (sabbelen/zuigen/likken of opeten van oneetbaar materiaal)
  • Angst
  • Voedselobsessie

Een gedragsobservatie van je kat is nodig om te achterhalen wat er achter het probleemgedrag zit

Er is sprake van een gedragsprobleem bij de kat, wanneer het gedrag vaak en gedurende langere tijd voorkomt en nadelige gevolgen heeft voor zichzelf of zijn omgeving. Als richtlijn kun je er vanuit gaan dat als de kat het wekelijks of vaker doet, er sprake is van een gedragsprobleem waarbij je hulp nodig hebt. Bijvoorbeeld wanneer een kat al wekenlang in huis plast en er dus echt geen sprake is van een eenmalig ongelukje.

Gedragsproblemen leiden vaak tot grote frustratie bij kattenbaasjes. Echter, gaan gedragsproblemen ook meestal hand-in-hand met vervelende gevoelens (stress/angst) bij de kat zelf. Meestal is er niet één oorzaak voor een gedragsprobleem aan te wijzen, maar gaat het om een samenspel van verschillende factoren. Elke kat met een gedragsprobleem heeft een eigen recept aan factoren die hem motiveren om zich op een bepaalde manier te gedragen.

Het is daarom niet altijd makkelijk te achterhalen waar je kat mee rondloopt, als hij ongewenst gedrag vertoont. Het is wel goed en ook belangrijk dat je inziet dát er iets achter dit gedrag zit, wat ervoor zorgt dat hij niet lekker in zijn vel zit. Het komt ergens vandaan. Emotionele problemen vormen vrijwel altijd de basis voor het gedrag dat door baasjes als hinderlijk of zelfs bedreigend wordt ervaren. Erkenning voor die onderliggende emoties is van enorm belang voor het helpen van katten die gedragsproblemen laten zien.

Zeker als een kat ineens – of steeds vaker – ander gedrag (teruggetrokken of juist meer aanwezig) laat zien, is het goed om uit te zoeken wat erachter kan zitten. Dat lukt misschien alleen en anders kun je samen met een kattengedragstherapeut op onderzoek uit.

Tijdens de gedragsobservatie worden risicofactoren en beschermende factoren in kaart gebracht

Elke kat is anders omdat elke kat in een andere leefomgeving opgroeit met zijn eigen positieve en negatieve ervaringen en in aanraking komt met andere mensen en dieren. Daarnaast speelt de aard en aanleg van de kat een rol. Op elk moment in het leven van de kat, wordt een unieke combinatie van emoties, ervaringen, gevoelens, vaardigheden en karaktereigenschappen gevormd. Als gevolg hiervan reageert iedere kat anders op een bepaalde situatie. Waar de ene kat visite als erg prettig kan ervaren en vriendelijk reageert naar bezoek, kan een andere kat in dezelfde situatie erg angstig worden en het bezoek aanvallen. Dit wordt bepaalt door de beschermende- en risicofactoren van je kat.

Beschermende en ondermijnende factoren voor welbevinden van je kat

De aard van bovengenoemde factoren bepaalt of ze het welbevinden van de kat ondermijnen of beschermen. Wanneer factoren het welbevinden van de kat ondermijnen noemen we dit risicofactoren.  Als verschillende risicofactoren gelijktijdig of achtereenvolgens optreden, kunnen ze elkaar versterken, waardoor de kans op problemen groter wordt. In het geval ze het welbevinden juist beschermen, noemen we het beschermingsfactoren. Er ontstaan gedragsproblemen wanneer de beschermingsfactoren onvoldoende tegenwicht kunnen geven aan de risicofactoren.

De eerste stap is om in kaart te brengen welke huidige factoren het ongewenste gedrag in stand houden, verergeren of verbeteren. Zowel de beschermende- als de risicofactoren worden daarom in kaart gebracht tijdens een gedragsobservatie.

Risicofactoren waarvan bekend is dat ze de kans op het ontwikkelen van een gedragsprobleem verhogen zijn:
  • Te vroeg uit het nest (voor 12 weken)
  • Op straat of in een asiel/opvang opgegroeid
  • Afkomstig van een gestreste moederpoes
  • Trauma of ernstige ziekte
  • Stressgevoelig ras
  • Verandering van gezinssamenstelling (overlijden, geboorte, nieuwe partner)
  • Komst of verlies van andere kat(ten)
  • Veranderingen in of van de leefomgeving (verhuizing, verbouwing, uit logeren gaan)
  • Veranderingen in de routine van de kat (spelen, eten, aandacht)
  • Ontoereikende leefomgeving voor natuurlijk gedrag
Beschermingsfactoren die de kans op het ontwikkelen van gedragsproblemen tegengaan:
  • Als kitten minimaal 12-13 weken opgegroeid in een geschikte leefomgeving in het bijzijn van moeder en nestgenootjes
  • Afkomstig van een rustige, ontspannen moederpoes
  • Een stimulerende, uitdagende leefomgeving die natuurlijk gedrag mogelijk maakt
  • Voorspelbare en controleerbare leefomgeving
  • Mogelijkheden om prettig sociaal contact te hebben met soortgenoten

Tijdens de gedragsobservatie wordt bepaalt om welk type gedragsprobleem het precies gaat

Van sommige gedragsproblemen bestaan verschillende vormen. Wanneer een kat bijvoorbeeld in huis plast, maken we onderscheid tussen sproeien en plassen. De functie van sproeien en plassen is voor de kat heel anders en daarmee kennen ze beide ook andere oorzaken en oplossingen. In het geval van een gedragsprobleem dat verschillende vormen kan aannemen zal er tijdens de gedragsobservatie van de kat altijd worden bepaald van welke vorm precies sprake is.

Er wordt tijdens de gedragsobservatie gekeken op welk moment de kat het gedrag laat zien

Gedrag is context afhankelijk. Dat betekent dat gedrag betekenis krijgt door de plek, het moment en in welke situatie de kat het laat zien. Wanneer de deurbel gaat kan dat voor de ene kat een aankondiging zijn dat opa en oma langskomen die altijd wat lekkers voor de kat meenemen. Bij deze kat zal het horen van de deurbel fijne gevoelens oproepen.

Voor een andere kat kan de deurbel betekenen dat de dierenarts hem komt onderzoeken. Wanneer de kat heeft geleerd dat de dierenarts  vervelende dingen doet, kan hij de deurbel koppelen aan iets vervelends. Deze kat zal zich misschien angstig voelen wanneer de deurbel gaat.

In het eerste geval zal de kat blij en enthousiast reageren op de deurbel, in het tweede geval kan de kat bang reageren op dezelfde deurbel. Tijdens een gedragsobservatie wordt de context waarin het gedrag plaatsvindt dan ook bestudeerd.

Er wordt geobserveerd wie of wat de kat zijn gedrag beïnvloedt

Het gedrag van de kat wordt beïnvloedt door hoe jij als kattenbaasje met hem omgaat. Jij bepaalt bijvoorbeeld wat en wanneer de kat eet. Sommige mensen straffen de kat wanneer hij iets doet wat niet mag, ook daar reageren katten op. Kleine kinderen gaan weer anders om met katten dan volwassenen. En ook andere katten en dieren in de leefomgeving van de kat beïnvloeden hoe de kat zich gedraagt. Daarom kijken we tijdenseen  gedragsobservatie ook naar alle belangrijke individuen in de directe leefomgeving van de kat.

Er wordt gekeken naar hoe de kat zich voelt 

Wanneer je kat een probleem heeft, zou je je eigenlijk moeten afvragen: ‘wat zegt het gedrag aan de buitenkant over hoe mijn kat zich voelt van binnen’. Wat je kat binnenin voelt zijn emoties en behoeftes. Hoe meer je als kattenbaasje op die emoties en behoeftes kan aansluiten, hoe beter de kat in zijn vel zit. Nu is het niet altijd makkelijk of duidelijk uit het gedrag van je kat af te leiden hoe hij zich voelt en wat hij dus nodig heeft. Katten geven namelijk geen duidelijk herkenbare signalen af waaruit je kunt afleiden hoe hij zich voelt. Hiervoor moet je de kat zijn lichaamstaal en houding goed kunnen lezen. En dit vervolgens weer koppelen aan de context (dus wat de kat doet op een bepaalde plek/moment/of in een bepaalde situatie).

De kattengedragstherapeut van Lekker in je Vacht is getraind in het herkennen van angst/stress signalen en het begrijpen van lichaamstaal en houding wat inzicht kan bieden in hoe de kat zich voelt. Hierdoor kunnen wij dit precies voor je in kaart brengen:

  • Waar (op welke plek) de kat zich angstig/gestrest voelt
  • Of in welke situatie de kat zich angstig/gestrest voelt
  • En ook wanneer de kat zich niet fijn voelt

Vragen of hulp?

Wanneer je een gedragsprobleem herkent in je kat en je wil je eigen situatie voorleggen, dan kun je altijd contact opnemen. We hebben voor alle soort vragen – van simpel tot ingewikkeld – de juiste vorm van hulp.

Een gedragstraject
De fasen van het gedragstraject kunnen als volgt ingedeeld worden:

  1. De fase van aanmelding, intake en screening. In deze fase wordt nagegaan of het probleem in aanmerking komt voor een gedragsbehandeling. En vindt er een kort screeningsonderzoek plaats om een voorlopig beeld te krijgen van de aard en ernst van het probleem.
  2. Voorlopige indicatiestelling. Er wordt vastgesteld wat het voorlopige beeld van het probleem is, welke benadering in de eerste instantie de meest juiste lijkt, welke aspecten nader onderzoek behoeven en welke veronderstellingen getoetst zullen worden.
  3. De fase van gericht onderzoek. Informatie wordt ingewonnen en de veronderstellingen worden getoetst. In deze fase maakt men gebruik van observaties, testonderzoeken, vragenlijsten en dergelijke.
  4. De integratiefase. Een samenhangende theorie met betrekking tot het individuele geval wordt opgesteld. Deze theorie bevat veronderstellingen over de oorzaken en samenhang van de problemen en een beoordeling van de handelingsmogelijkheden. Verder worden de doelen van de interventie bepaald, evenals de manier waarop deze bereikt moeten worden. Op grond van een aantal criteria wordt uit verschillende mogelijkheden gekozen.
  5. De planningsfase. In deze fase wordt in een behandelplan vastgelegd waarom wie wat gaat doen, met wie, wanneer en hoe lang.
  6. De behandelingsfase/interventiefase. Het gemaakte plan wordt uitgevoerd en tegelijk wordt in de gaten gehouden of het effect behaald wordt. Dit wordt monitoring genoemd.
  7. De evaluatiefase. In deze fase gaat men het effect van de behandeling na, en koppelt men de resultaten van deze evaluatie terug.

Het is niet toegestaan om zonder toestemming (delen van) deze tekst over te nemen